|
#11
|
|||
|
|||
|
deel 2:
Wie de jongerenwerkloosheidscijfers van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bekijkt, zou er moedeloos van worden. Anderlecht: 35,4 procent, Schaarbeek: 40 procent, Sint-Joost-ten-Node: 45 procent, Sint-Jans-Molenbeek: 45,9. Wie daarbovenop het plaatje per wijk bekijkt, ziet pieken tot boven de 50 procent. Vreemd in een stad waar de geproduceerde rijkdom 65 procent boven het EU-gemiddelde en 40 procent boven het Belgische gemiddelde ligt. Werk voor iedereen, zou je denken, maar niet als je kijkt naar de soort jobs die Brussel in de aanbieding heeft. "Meer dan 90 procent van de tewerkstelling in Brussel ligt in de tertiaire, diensten producerende, sector", legt Corijn uit. In zijn boek Brussel!, dat hij samen met onderzoekster Eefje Vloeberghs schreef, wijst hij op de mismatch tussen het opleidingsniveau van de Brusselse werkenden en het opleidingsniveau dat geëist wordt voor de aangeboden werkplaatsen. Want de industriële activiteit die in het Brusselse voor laaggeschoolde jobs zorgt, kwijnt weg. Van de 170.000 industriële arbeidsplaatsen die de hoofdstad in de jaren vijftig van de vorige eeuw telde, blijven er nog 50.000 over. Dat zorgt ervoor dat 55 procent van de arbeidsplaatsen in het Brussels gewest wordt ingenomen door niet-Brusselaars. Daar kan zelfs de aanwezigheid van de Audifabriek in Vorst niets aan veranderen. Integendeel, 86 procent van de Audiwerknemers woont buiten Brussel. Onderwijs Wie in Brussel aan de bak wil komen, kan dus maar best een, al dan niet stevig, diploma op zak hebben. Maar laat ook net daar het schoentje wringen. "Bij allochtone jongeren leeft er een dominante opvatting dat de school niet voor hen bedoeld is. Onderzoek toont aan dat Brussel een van de meest selectieve onderwijssystemen van West-Europa heeft", zegt professor Corijn. "In Brussel, zeker in het Franstalig onderwijs, verwijst men leerlingen met leerachterstand zeer snel door naar een lager onderwijsniveau. Daardoor heb je een enorme groep jongeren van 12 tot 14 jaar die onmiddellijk in een traject buiten het algemeen onderwijs komen." "Tot halverwege de jaren zestig waren de Brusselaars nog de best opgeleide burgers van het land", vult Eefje Vloeberghs aan. Van die koppositie blijft niets meer over. Brussel telt wel nog het hoogste aantal hoogopgeleiden, maar blinkt jammer genoeg ook uit in het aantal niet- of laagopgeleiden. Corijn en Vloeberghs wijzen op de cijfers van schoolachterstand en schoolverlaters. "Meer dan een op de vijf Brusselse jongeren verlaat de school zonder diploma van hoger secundair onderwijs. Dat is dubbel zoveel als in Vlaanderen en Wallonië. Ook het percentage zittenblijvers ligt zowel voor het basisonderwijs als voor het secundair onderwijs gevoelig hoger in het Brussels gewest dan in de andere gewesten." Een probleem dat nauw samenhangt met de thuissituatie van de jongeren. Leerlingen van wie de ouders geen of een laag diploma hebben, hebben immers vijf keer meer kans om schoolvertraging op te lopen. "In wat voor gezin je opgroeit kan dus, zonder bijkomende redenen, meteen je slaagkansen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt hypothekeren", vertelt Vloeberghs. Daarnaast wijst Corijn op het probleem van concentratiescholen. Dat illustreert hij met een opmerkelijk gegeven. "Veertig procent van de verkeersproblemen in Brussel wordt niet veroorzaakt door de vele pendelaars, maar wel door het vervoer van de zogenaamde "achterbankkinderen", die door hun moeders naar verder gelegen scholen worden gebracht. Men stuurt zijn kinderen immers alleen naar de dichtstbijzijnde school als men daartoe verplicht is. Daardoor krijg je concentratiescholen in achtergestelde buurten. Bovendien staan die scholen vaak op een zwarte lijst bij bedrijven, waardoor de jongeren die les volgen al op voorhand weten dat ze niet aan een stageplaats zullen raken. Ze beseffen dus al vrij vroeg dat ze niet aan de bak zullen komen." Volgens Corijn komt men dus al in de pubertijd voor de keuze te staan om zijn toevlucht te nemen tot de informele economie. "Om het simpel uit te drukken: als een veertienjarige als drugsdealer makkelijk 2.000 euro per maand kan verdienen, en het alternatief is een integratiejob van drie maanden met een bijscholing van Actiris (de Brusselse arbeidsbemiddelingsdienst, TM) die maandelijks 900 euro oplevert, dan is de rekening snel gemaakt. Men zegt vaak dat die jongeren niet goed geïntegreerd zijn, maar ze zijn wel ontzettend goed geïntegreerd in onze consumptiecultuur. Voor hen is werken vooral inkomen verwerven. Daardoor ontstaan heel wat informele economieën, die op de grens van het wettelijke opereren. Dan heb ik het niet over drugsdealen of wapenhandel, maar over autotransport naar het buitenland, het namaken van merkproducten. Het maakt allemaal deel uit van een overlevingsstrategie." Strijd om de publieke ruimte De sociale achterstelling van heel wat Brusselse jongeren heeft volgens Corijn tot een strijd om de publieke ruimte geleid. "De wijken worden bevolkt door gezinnen die groter zijn dan gemiddeld, die in relatief kleinere huisvesting wonen. Een van de redenen waarom die jongeren buiten rondhangen, is dus al zeker omdat er binnen minder plaats is. Ze zien hun wijken als hun grondgebied." Bovendien verlaten ze die wijken ook niet snel. "Het gebruik van de stad is bij die jongeren heel sterk gelokaliseerd. Neem de metro. Jongeren uit Anderlecht gebruiken maar een derde van het metronet, ze beperken zich tot de linkeroever van het Kanaal. Als je kijkt naar hun leeftijdgenoten uit Woluwe, dan zie je dat zij wel het hele metronet bezigen. Zij hebben dus een veel sterkere visie op "bij ons" en "bij hen". Niet heel Brussel is van hen, maar dat stuk Brussel wel." Een en ander heeft volgens Corijn te maken met de beleidskeuzes uit het verleden. "Met de invoering van wijkcontracten heeft men heel erg vanuit de nabijheid gedacht. Alle diensten moesten ter plekke aanwezig zijn. Elke wijk kreeg haar buurtbibliotheek, haar jeugdcentrum, waardoor men de lokaliteit versterkt heeft. Die jongeren hebben niet geleerd om in het zwembad van Woluwe te gaan zwemmen. Dat is niet van hen." Of het een foute beleidskeuze is geweest, wil hij niet zeggen. "Waar we wel over moeten nadenken, is dat we de stad in haar geheel leren gebruiken. Die jongeren moeten zelf ook eens op een andere plaats terechtkomen, niet alleen maar "de stoere" uithangen waar zij zich thuis voelen." Selffulfilling prophecy Corijn gelooft echter niet dat er bepaalde no-gozones bestaan. Hij wijst wel op de culturele controle die op bepaalde plaatsen wordt uitgeoefend. "Wij noemen dat pariochiale ruimtes, ruimtes die door subculturen gedomineerd worden. Plaatsen waar er een strijd heerst om de gedragingen en om de juiste klederdracht. Zoals in onze scholen de hoofddoek wordt geweigerd, worden diegenen die er geen dragen in die wijken erop aangesproken." Er met de grove borstel doorgaan zal niet helpen, voorspelt hij. "Diegenen die de wet overtreden zijn voor die jongeren net de helden. Zij laten zien dat die wijk hun territorium is. En ze komen ermee in het nieuws. De wijkfeesten, de buurtwerkers, de normale jongeren: daar wordt nooit iets over gezegd. Stoere taal vanuit de samenleving zoals de aankondiging van zero tolerance, dat vinden somigen van die groepen net tof. Zeker als het gerecht zegt dat het te weinig mankracht heeft om gevolg te geven aan die harde aanpak. De politie gaat daar heel stoer doen, waarna ze nog eens harder worden uitgelachen. Zo krijg je een selffulfilling prophecy." Professor Eric Corijn: Diegenen die de wet overtreden zijn voor die jongeren net de helden. Zij laten zien dat die wijk hun territorium is. En ze komen ermee in het nieuws n "Stoere taal vanuit de samenleving zoals de aankondiging van zero tolerance, dat vinden somigen van die jongerengroepen net tof", meent professor Eric Corijn (VUB). Publicatiedatum : 2010-02-03 Sectie : Verhaal van de dag |
|
#12
|
|||
|
|||
|
"Het sterkt mij in mijn pleidooi om structurele maatregelen te treffen die het onderwijs herdenken, onze arbeidsmarkt en haar activeringsbeleid socialiseren en de voorwaarde creëren waarop de emancipatie van maatschappelijk kwetsbare jongeren mogelijk wordt." lees ik bij Kifkif. En daar zullen we het allemaal wel mee eens zijn, zeker?
Maar deze conclusie staat niet lijnrecht tegenover het opruimen van de diverse bendes die de straten onveilig maken. De harde kern daarvan lacht eens met dergelijke sociologie-algemeenheden. Dus, nogmaals: er zit niets anders op dan die tachtig, honderd of honderdvijftig woelmakers vast te pakken. De minderjarigen naar het pensionaat, de meerderjarigen in de doos en de illegalen over de grens. Misschien kunnen de minderjarigen nog een tweede kans krijgen mits onderwijs onder toezicht. En dàn kan je naar de buurt gaan, naar de brave, ondergewaardeerde mensen die daar ongetwijfeld ook wonen en mee de dupe zijn van het straatgeweld. Zolang je de racketeering en de onwettigheid echter laat heersen krijg je geen opwaardering van de grond. En let op: voor mijn part mag je de overheid de zwarte piet in deze zeker toestoppen. Immers, twintig jaar geleden was het in de buurt van het slachthuis in Anderlecht geen haar beter dan nu. |
|
#13
|
|||
|
|||
|
ik kon me grotendeels wel vinden in onderstaand stuk van kif kif:
Wanneer zero tolerance voor ongelijkheid? Bron: Internet In zijn pleidooi voor een sociaal houvast gooit Dewever de meest uiteenlopende zaken op een hoopje. 05-02-2010 | Patrick N’Siala Kiese, Ico Maly, Said El Majdoub, Dany Neudt & Najib Chakouh De roep om zero tolerance weerklinkt terug luid! Brussel is door allerlei opiniemakers herschapen tot een oorlogszone. Velen trachten nu politiek garen te spinnen en stoere taal te verkopen. Dat er problemen zijn in Brussel, dat er criminaliteit is, dat is een open deur intrappen. Net zoals het evident is om de wet toe te passen en crimineel gedrag te straffen. Wat velen echter niet willen zien en zelfs van de hand wijzen, is dat men daarmee de fundamentele oorzaken van de malaise niet aanpakt. Net zoals het “opdringen van ‘onze’ waarden en normen” niet de remedie is. Het artikel van B art Dewever in De Standaard is tekenend voor dit discours. De roep om zero tolerance weerklinkt terug luid! Brussel is door allerlei opiniemakers herschapen tot een oorlogszone. Velen trachten nu politiek garen te spinnen en stoere taal te verkopen. Dat er problemen zijn in Brussel, dat er criminaliteit is, dat is een open deur intrappen. Net zoals het evident is om de wet toe te passen en crimineel gedrag te straffen. Wat velen echter niet willen zien en zelfs van de hand wijzen, is dat men daarmee de fundamentele oorzaken van de malaise niet aanpakt. Net zoals het “opdringen van ‘onze’ waarden en normen” niet de remedie is. Het artikel van B art Dewever in De Standaard (1) is tekenend voor dit discours. In zijn pleidooi voor een sociaal houvast gooit Dewever de meest uiteenlopende zaken op een hoopje, beginnende bij een uit de hand gelopen en gekaapte betoging van de AEL in Antwerpen (in 2008), de dood van De Moor, de algemene criminaliteit in Brussel, het geweld op bussen en trams van De Lijn in Antwerpen, de bekering van Vlaamse meisjes tot moslima’s, … Dit alles om zijn ondertussen gekend punt te maken, namelijk dat het hier om een cultureel probleem gaat, een probleem van waarden en normen bij hen, en bij ons. Want, zo stelt Dewever, “Mensen opnemen in een gemeenschap lukt immers maar als je eerst en vooral zelf nog de ambitie hebt om met z'n allen ook daadwerkelijk een (h)echte gemeenschap te vormen.” (2) Vrij vertaald: de Vlamingen zijn niet nationalistisch genoeg en dringen hun waarden niet genoeg op aan ‘die andere’. De huidige situatie in Brussel wordt op die manier begrepen als een cultureel probleem, eigen aan ‘de allochtoontjes’ daar. De sociaaleconomische situatie, de kansarmoede, de armoedecijfers, het onderwijs en het huisvestingsbeleid vallen terug buiten beeld bij tal van opiniemakers. Hier en daar verschijnen wel bijdragen over deze grondoorzaken, zoals in Terzake en in De Morgen, maar dat lijkt maar weinig impact te hebben op de dominante analyse en de roep om snelrecht en zero tolerance. En ook daar staat Dewever niet alleen. Vooral het repressieapparaat komt in beeld, de reële oorzaken van de malaise geraken zo ondergesneeuwd. Meer nog, die oorzaken worden terug afgedaan als ‘dat horen we nu al zolang’, zoals Lieven Van Gils het stelde in Phara (3). Een andere variant hiervan werd vertaald door Veli Yüksel in het Vlaams Parlement: “het moet gedaan zijn met het pamperbeleid voor allochtonen.” (4) En ook journalist Claude Demelenne (5) slaagt erin om in zijn tienpuntenplan dat hij voorstelde in De Standaard niet een keer te verwijzen naar de sociale situatie in deze wijken. Nochtans wijst wetenschappelijk onderzoek keer op keer uit, dat net op die domeinen het beleid faalt. Het feit dat dergelijke zaken als oud nieuws bestempeld worden, betekent echter niet dat die problemen effectief aangepakt zijn of worden. Meer nog, volgens een onderzoek van Deloitte, zou de situatie sinds 1997 nog verslechterd zijn. De cijfers die De Morgen (6) publiceerde uit het onderzoek van Corijn, spreken alvast boekdelen. De werkloosheidsscijfers: 35,4% is werkloos in Anderlecht, 40% in Sint Joost-ten-Node, 40% in Schaarbeek en in Molenbeek is 45,9% werkloos. De situatie in het onderwijs is al niet veel hoopgevender: “Onderzoek toont aan dat Brussel een van de meest selectieve onderwijssystemen van West-Europa heeft.” (7) Een vijfde van de jongeren in Brussel haalt geen diploma, wat dubbel zoveel is als in Vlaanderen. Een van die andere taboes in deze discussie is het racisme in onze samenleving en in het bijzonder bij de politie in deze zones. Nochtans verschijnen daarover met de regelmaat van de klok berichten in onze media. Deze worden echter al snel gezien als van secundair belang. Zo stelt Dewever: “De verwijzing naar racisme en kansarmoede volstaat al te vaak om ermee weg te komen en een cultuur van slachtofferschap en rancune te verdoezelen.” (8) Dit, het verwarren van verklaringen met excuses of goedpraterij, is sinds enkele jaren een klassieker aan de rechterzijde van het politieke spectrum. Deze cijfers zijn natuurlijk geen excuus voor criminaliteit, maar vormen wel een verklaring. Het is trouwens een veel betere en eerlijkere verklaring voor deze situatie dan het denken in termen van een beschavingsdeficit en ‘waarden en normen’. Leg de cijfers van de kleine criminaliteit op de statistieken van armoede en werkloosheid en je ziet bijna kopieën. De roep om zero tolerance, bewijst maar één ding, namelijk het falen van het sociaaleconomische beleid, het onderwijsbeleid en het (kans)armoedebeleid. Betekent dit dat je de wet niet moet toepassen? Natuurlijk niet. ‘Dura lex, sed lex’, criminaliteit moet steeds bestraft worden. Maar, en dit is een relevante en grote maar, dat zal maar zoden aan de dijk zetten als en enkel als het gecombineerd wordt met een duurzaam en structureel sociaaleconomisch beleid, zeker voor de hoofdstad Brussel. Zolang er voor deze zogeheten ‘verloren generatie’ geen betere toekomstbeelden ontstaan, zal de situatie ten gronde niet verbeteren. Deze jongeren hebben niets meer te verliezen, ze kunnen alleen nog maar winnen. De vraag is dus, wanneer krijgen we een roep voor zero tolerance voor ongelijkheid? Noten: (1) De Standaard, 2 februari 2010: Sociaal houvast, door Bart Dewever (2) De Standaard, 2 februari 2010: Sociaal houvast, door Bart Dewever (3) Phara, 2 februari 2010, (4) ActuaTv, 3 februari 2010: Uitzending van de debatten in het Vlaams Parlement. (5) De Morgen, 3 februari 2010: De verloren generatie van Kuregem en Molenbeek. (6) De Standaard, 04 februari 2010: Vlaamse vrienden, Franstaligen denken zoals jullie, door Claude Demelenne (7) De Morgen, 3 februari 2010: De verloren generatie van Kuregem en Molenbeek. (8) De Standaard, 2 februari 2010: Sociaal houvast, door Bart Dewever inderdaad wanneer horen we over ongelijkheid eens stoere taal? |